Hoe moet je wijn proeven?
“Snuffelen, draaien,klotsen en slurpen, een kind kan de was doen – mits 16 jaar en ouder.” – wijnschrijver Onno Kleyn
Iedereen die van wijn houdt, kan leren wijn proeven. Het enige wat je hoeft te doen, is concentreren en de onderstaande richtlijnen opvolgen. Hoe vaker je oefent, hoe beter je erin wordt. Daarnaast is het heel leerzaam om wijnen onderling te vergelijken.
1. Het proefglas
Het glas waaruit je de wijn gaat proeven, dient een stevige voet en een lange steel te hebben. De vorm van de kelk moet onder breed zijn en geleidelijk naar boven taps toelopen. Hierdoor krijgt de wijn voldoende ruimte om te ademen en kun je de geuren goed opvangen in je neus. Om de kleur en de diepte van de wijn goed te kunnen beoordelen, is het belangrijk dat het glas helder en dun is.
2. De kleur van de wijn
Door goed naar de keur te kijken, kun je veel te weten komen over de te proeven wijn. Een goede wijn is helder, niet dof of troebel. De diepte van de kleur kan variëren van heel licht tot heel donker. De stroperigheid (ook wel: viscositeit) kun je bepalen aan de hand van de ‘tranen’ die aan de binnenkant van het glas achterblijven. Tot slot kan de kleurschakering je meer informatie geven over de kwaliteit en de leeftijd.
• Jonge, droge witte wijn is bleek, lichtgeel met groene nuances. Naarmate de wijn ouder wordt, krijgt hij steeds meer gelere tonen.
• Zoete witte wijnen hebben van nature een hoge viscositeit. De kleur van dit type wijn varieert van geel tot intens goudgeel. • Rosé bevat vele kleurnuances, van fonkelend roze tot aardbei en oranje.
• Bij rode wijn loopt de kleur van paars en purper bij jonge wijnen tot bruin en zelfs oranje bij oude wijnen. Om de kleur goed te kunnen, schenk je ongeveer 2 centimeter wijn in het glas. Je pakt het glas bij de steel en houdt hem schuin tegen een witte achtergrond. De helderheid en de kleurnuances worden goed zichtbaar wanneer je de wijn voor een lampje of een brandende kaars houdt.
3. De geur van de wijn
Geur speelt een belangrijke rol bij het beoordelen van een wijn, want de geur en de smaak van een wijn zijn nauw verbonden. De geur kun je het beste beoordelen door de wijn in het glas rond te draaien (ook wel: walsen). Ook daarom is het belangrijk dat je glas een brede kelk heeft. Bij het ruiken kun je bepalen of de geur neutraal, zuiver, fris, overheersend, aantrekkelijk of onaangenaam is. Daarnaast kun je proberen om aroma’s en de verschillende geureigenschappen (bouquetstoffen) te ontdekken. De aroma’s kun je opdelen in primaire en secundaire aroma’s. Primaire aroma’s afkomstig van de druif zijn fruitig, bloemig (floraal), plantaardig (vegetaal) en dierlijk (animaal). De secundaire aroma’s ontstaan tijdens het gisten en zijn te omschrijven als fruitgeuren (bijvoorbeeld banaan of appel), bloemgeuren, zuivelgeuren, zuren en alcohol. In het bouquet vind je houttonen, kruiden en zware kleuren.
4. De smaak van de wijn
In de mond komen diverse smaakaspecten aan bod: droog of zoet, wel of geen tannine, bitters, zuren, temperatuur, de afdronk (nasmaak), enzovoorts. Wanneer je de wijn zo goed mogelijk wil proeven, zuig je bij het nemen van een slokje wijn tegelijkertijd een beetje lucht naar binnen. Door te slurpen activeer je namelijk de smaakpapillen. Smaken herkennen op je tong:
- Zoet proef je vooral op de punt van je tong
- Zout bevindt zich aan de zijkanten achter de tongpunt
- Zuur proef je vooral op de zijkanten in het middengedeelte van de tong
- Bitter zit in het midden achter op je tong






















