Geschiedenis van wijn

Of en hoe de natuur, het geloof, oorlogen, toevalligheden, en ongedierte wijn historisch hebben beïnvloed.

 

In Senftenberg (D) en Sézanne (F) werden fossielen terug gevonden van druivenpitten en –bladeren die tot zestig miljoen jaar oud zijn, vieilles vignes, als het ware… Maar men vermoedt dat de vrucht (de wilde wingerd oftewel Vitis Sylvestris) ongeveer honderd dertig miljoen jaar moet bestaan.

 

De eerste sporen van georganiseerde wijnbouw daarentegen zijn “slechts” zeven duizend jaar oud. Sporen daarvan werden terug gevonden in de Kaukasus en in Mesopotamiê, ongeveer waar we momenteel Iran en Armenië situeren. Beetje bizar toch dat deze landen de bakermat zijn van de wijnbouw?

 

In het Tweestromenland van de Tigris en de Eufraat werden in die periode kruiken opgegraven met sporen van wijn, althans de eerste resultaten van spontaan ontgiste druiven. Wetende dat pas in 1857 na Christus, al bij al vrij recent dus, het alcoholisch proces ontleed zou worden door Dr. Pasteur is dit op zijn minst opmerkelijk te noemen.

 

Tussen deze twee periodes in, deze van de eerste druivengroei en de eerste manipulatie door de mens, zag de vrucht vooral af van de ijstijd, ongeveer honderd twintig duizend jaar geleden. Enkel de planten die op de zuidelijke hellingen van bepaalde bergketens stonden (Alpen, Pyreneeën en Kaukasus) overleefden deze periode. Maar daarna ging de verspreiding vrolijk verder en toen de homo sapiens tachtig duizend jaar later uit Afrika naar het Europese vaste land kwamen was de vrucht rijkelijk aanwezig.

 

Door de mens werd de verspreiding alleen maar bespoedigd. In daar op volgende vier duizend jaar werd deze voor het eerst opgemerkt in Palestina, Syrië, Egypte en Griekenland. Maar ook in Malaga, Zuid-Spanje, werden (resten van) druivenplanten ontdekt uit die periode. Opmerkelijk, want een volledig geïsoleerde omgeving van de andere groeiplaatsen.

 

Het moet in die periode geweest zijn dat, door toeval, het gisten van geplette druiven werd ontdekt. Het verhaal gaat als volgt: druiven werden massaal geplukt als deze rijp waren maar werden dan niet opgegeten. Een Perzische koning liet de overblijvende druiven opslaan in vaten in de kelder, stockage avant la lettre als het ware. Zoals we nu wel weten, of later in dit boek te weten zullen komen, zal door de druk van de bovenste druiven de onderste laag gaan barsten. En daardoor begint het gistingsproces, althans in deze beknopte uiteenzetting. Gevolg, de inhoud van de vaten begon te leven, te pruttelen en er kwamen dampen vrij die op z’n minst angstaanjagend waren. Niemand begreep dit in die tijd en men zag het levende vocht als vergif.


De vrouw van de koning leed aan onhoudbare hoofdpijn, zo erg dat ze besliste een eind te maken aan haar leven. Ze vond er niks beter op dan zichzelf te vergiftigen met het brobbelende goedje in de kelder. Na het drinken van enkele bekers was de hoofdpijn echter volledig verdwenen en was ze in een gelukzalige roes in slaap gevallen. Nu heb ik het persoonlijk al wel vaker andersom meegemaakt (eerst wijn, dan hoofdpijn) maar het blijft een mooi verhaal. Ik weet dat er een variante op dit verhaal bestaan, dat van de prinses die uit de gratie van haar vader valt. Maar niemand van de betrokkenen kon me dit verhaal bevestigen. Resultaat blijft echter dat de heilzame kracht van gegiste druiven (alcohol dus) werd ontdekt.

Reacties

Wees de eerste om te reageren...

Laat een reactie achter
* Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.
* Verplichte velden